Voorgeschiedenis 1808 - 1876

Geschiedenis eener Wagenmakerij

Van sleeptrog tot wagen

 

Het was in september 1808 dat een jongeman op weg was naar Workum, vanwaar hij ook afkomstig was. Nederland was toen het koningkrijk Holland onder Lodewijk Napoleon. Het was toen een kritieke tijd. De jongeman schreef zich Jochem Deinum. Hij was werkzaam geweest op de grote scheepswerven in Holland. Door de oorlogen met Engeland was er geen vrachtvaart meer. De schepen lagen voor het merendeel op1 en de scheepswerven hadden geen werk meer. De jongeman was een energiek iemand die ook het wagenmaken had geleerd. Hij trok naar zijn vroegere woonplaats, het oude stedeke Workum. Hij vestigde zich als wagenmaker in de wijk Zuid O nummer 7. Dat was een pakhuisje, dat zeer geschikt voor een wagenmaker was. Er was in Workum wel behoefte aan een wagenmaker. Wegen waren er weinig en alle nog modderwegen. In de plaats Workum zelf was maar weinig bestrating, doch dit werd hoe langer hoe beter. Er kwamen meer bestrate en verharde wegen. Zo had het zin dat een wagenmaker er zich ging vestigen. Het wagenmakerswerk was toen meest kruiwagen en sleeptroggen. Een sleeptrog was een ideaal vervoermiddel, vooral op de modderwegen als die vochtig waren. Kon één paard het niet trekken, dan kwamen er twee voor. Maar hier was een wagenmaker. En er kwamen wagens, boerenwagens! Toen het nog modderwegen waren werden het wagens zonder ijzerbeslag op de wielen. Dat vereiste een bijzondere kunst in het wielmaken. Doch de toestand veranderde. Er kwamen meer verharde wegen en zo kwamen er ook meer wagens met ijzerbeslag. De wagenmakerij was inmiddels verplaatst naar Zuid O 10, en O 7 werd bergplaats voor hout, wagens en onderdelen. Het was hier toen erg smal wat de rijweg aanbelangt. Door Workum liep een sloot, de Wymerts, en daar voeren de mensen met hun schuiten doorheen voor allerhande vervoer. De boeren voeren met hun boter en kaas ‘s vrijdags naar de markt. Workum was de aangewezen plaats in de gehele zuidwesthoek. Jochem Deinum wist zijn tijd goed te besteden. Hij maakte toen niet alleen boerenwagens, maar ook wel eens een Friese krompanelen sjees2. De open sjezen werden poepsjezen genoemd. Deze waren hierheen gekomen met de Fransen. De poepsjezen hadden wel riemen, maar geen voetenkleden en geen kap.

De zaak ging zo kalm verder tot 1852, toen werd de zaak overgedragen aan ene Sietze Ketelaar. Van deze man is mij weinig bekend, anders niet dan dat de zaak op dezelfde voet werd voortgezet.

Ketelaar droeg de zaak weer over aan een kleinzoon van Jochum Deinum en wel aan de heer Andries Tjibbes Deinum3. Deze was een prima vakman, die het vak tot in de kleinste onderdelen beheerste. Hij maakte machtig mooie Friese sjezen. Het beeldhouwwerk had hij goed onder de knie. Ook maakte hij kapsjezen en glaswagens. Het was een onvermoeibare werker, die in de zomer ‘s morgens al om vier uur bij de bankschroef stond. Hij was een mooie maar ook vlugge werker. Het was een streng orthodoxe man, maar een die voor zijn woord stond. Dat iemand zijn plicht tegenover anderen niet deed, kon hij niet zien en zei er ook het zijne van. Dat bezorgde hem wel eens kwade vrienden. Een schildersknecht werkte destijds bij schilder W. de Vries. De knecht kwam ‘s morgens altijd een kwartier te laat. Dan riep Andries Deinum uit de werkplaats weg: “Al wer te let?” Zo ging dat elke morgen, tot zolang het die knecht verveelde en een hooggaande ruzie was het einde. Maar die schildersknecht verbeterde zich en kwam ‘s morgens beter op tijd. Dat had Deinum erbij gewonnen.

Het zal omstreeks 12 mei 1860 geweest zijn, toen kwam hier Obe IJntema4. Deze was geboortig te Workum, maar woonde al een jaar of twaalf te Tjerkwerd. Zijn vader5 was van boerenbedrijf, zodat Obe als oudste zoon ook in dat vak zou worden opgeleid. Hij voelde daar bitter weinig voor. Hij wilde liever bij een vak. En hij voelde zich aangetrokken tot het wagenmakersvak. Doch hij kwam in Wons bij een boer terecht. Een niet al te beste plaats, maar hij moest er blijven. Doch op zekere dag, het was in de zomer, moest hij met een wagen bespannen met een paard een vracht hooi halen. Met de lege wagen heen en met de volle terug. Zover bracht hij het echter niet. Hij moest een eind de verharde weg langs. Op die weg had een collegapaard een flinke plas gedaan en het paard, dat Obe bestuurde was niet van plan daar langs te gaan. Het nam een zijsprong en plons, daar ging de hele boel de sloot in. Het liep voor beide goed af: de koetsier kwam er met een nat pak en enige ontvellingen vanaf, het paard was een beetje kreupel en de wagen miste een paar rongen6 vanaf en het langhout7 was gescheurd. ‘s Middags maakte Obe IJntema de wagen weer. En hij zei tegen de boer dat het hem speet, maar achter de koeienstaarten ging hij niet meer. Hij kwam thuis met z’n hele hebben en houden en kreeg een mirakel van een standje.

Het eind van het liedje was, dat hij te Bolsward bij een wagenmaker kwam. Daar schoot het ook niet op. Hij moest oude wagens slopen, brandhout zagen en op de kinderen passen en die waren er legio. Maar al was het ouderwets slecht en had hij vaak allerhande werk wat de kindermeid moest doen, die, zoals meestal, ontbrak. Hij maakte al kruiwagens. Obe was een handige werker en vlug van begrip. De baas had daar wel aardigheid aan. Hij had nog een knecht die een jaar of vijf ouder was dan Obe. Hij liet die jongens kruiwagens maken en tegen elkaar uitspelen. De jongste tegen de oudste. De oudste die anders niet zo vlug was, was dan direct helder. Zo kreeg de baas vlug wat kruiwagens klaar. Van Bolsward ging Obe naar Arum. Vandaar weer naar Bolsward bij een andere baas waar meer rijtuigen werden gemaakt.

 

Haentje Jan IJntema heeft dit verhaal vlak voor zijn overlijden geschreven. De tekst is hier en daar gewijzigd en de spelling is aangepast aan die van deze tijd. Sinds 1924 bestaat het garagebedrijf naast het carrosseriebedrijf. In 1949 nemen de zonen van Haentje de bedrijven over: Wieger (1922 - 1976) het carrosseriebedrijf en Obe (1915 - 1985) de garage. In het midden van de zeventiger jaren kwamen de bedrijven in handen van Haentjes kleinkinderen: Hans en Bauke IJntema in het carrosseriebedrijf (nu gevestigd te Heerenveen) en Joost IJntema en zijn zwager Henk Bangma de garage (nu aan de Spoardyk te Workum). Sinds 1986 zwaait Bauke de scepter over IJntema Carrosseriebouw.

Met dank aan mevrouw T. IJntema - Sikma

 

  1. Het opleggen van schepen = het (tijdelijk) buiten gebruik stellen van schepen, bijvoorbeeld omdat er geen vrachten beschikbaar zijn; het vastleggen van schepen
  2. Sjees = tweewielig, licht en hoog ruituig
  3. Andries Tjibbes Deinum trouwde op 9 september 1860 te Workum met Tjaltje Klazes Zijlstra
  4. Obe Haentjes IJntema (Workum 20.02.1852 - Workum 07.01.1923) huwde op 08.08.1878 in Wȗnseradiel met Klaaske Jans Miedema (Zurich 20.03.1853 - Workum 19.01.1918)
  5. Haintje Obes IJntema (Tjerkwerd 18.08.1824 - Bolsward 01.07.1894) huwde op 14.05.1851 te Workum met Yfke Haremens van der Meulen (it Heidenskip 09.02.1829 - Bolsward 18.11.1910)
  6. Rong = elk der vier houten of ijzeren staanders, aan elke kant van de wagen twee, waartegen de wagenladders steunen
  7. Langhout = deel van onderstel van boerenwagen; lange dissel(boom)

 

Op enkele ander pagina's vindt u de geschiedenis over andere perioden van ons bedrijf:

 

 

Deel deze pagina op: